Niet ieder kind wil naar de hoogste glijbaan |
|
|
|
|
 |
| 166 sec |
'Kijk bij het ontwerpen van speelplekken eerst naar kinderen en hun ontwikkeling, pas daarna naar toestellen'
Een schommel, glijbaan en klimtoestel maken nog geen goede speelplek. Kinderen verschillen in leeftijd, karakter, motoriek en in de manier waarop ze spelen. De één zoekt uitdaging, de ander kijkt liever eerst de kat uit de boom. Volgens adviseur Tanja Bracco Gartner en landschapsontwerper Annoek de Bruin van BOERplay begint een goed ontwerp daarom niet bij de vraag welke toestellen ergens moeten komen. De eerste vraag is: welke uitdagingen kunnen we kinderen hier bieden, zodat ze onbewust motorisch en cognitief worden gestimuleerd?
| Margeretha van Parmadreef - beeld via BOERplay |
Bracco Gartner en De Bruin bekijken die vraag ieder vanuit hun eigen vakgebied. Bracco Gartner houdt zich als adviseur bezig met het bewegende kind en werkte eerder jarenlang aan programma's rond bewegen voor jonge kinderen. De Bruin studeerde tuin- en landschapsontwerp, maar begon haar loopbaan als onderwijsassistent. Bij BOERplay komen die achtergronden samen: kennis over de ontwikkeling van kinderen wordt vertaald naar de inrichting van de buitenruimte.
Geen boodschappenlijstje met toestellen
Een nieuw schoolplein of een gemeentelijke speelplek begint met het ophalen van wensen. Dat gebeurt bij gemeentelijke speelplekken via digitale buurtparticipatie en bij scholen via fysieke participatie. Maar BOERplay vraagt daarbij niet simpelweg of iemand een schommel, wip of duikelrek wil. 'Wij vragen welke speelwaarden je wilt en welk spelgedrag je op deze plek wilt zien', zegt Bracco Gartner. Dat verschil lijkt klein, maar geeft ontwerpers veel meer mogelijkheden. Wie aangeeft dat kinderen moeten kunnen rollen en draaien, vraagt niet automatisch om een duikelrek. Een speelheuvel kan dezelfde speelwaarde bieden. Voor schommelen, zwaaien, klimmen of balanceren geldt hetzelfde. Dat is volgens haar zeker op schoolpleinen belangrijk. Een plein is niet alleen een plek om tijdens de pauze energie kwijt te raken. Wat er wordt aangeboden, heeft ook invloed op hoe kinderen samen spelen en zich ontwikkelen.
|
|
'De klant denkt vaak: een speeltuin is een schommel en een duikelrek. Wij kijken eerst naar welke uitdagingen we kinderen kunnen bieden'
| |
|
Vier soorten kinderen op één plein
Daarbij houdt BOERplay rekening met verschillende manieren waarop kinderen een speelplek gebruiken. Niet ieder kind rent bij aankomst direct naar het grootste klimtoestel. Sommige kinderen zoeken uitdaging en actie, terwijl andere kinderen eerst observeren of liever op een rustigere plek spelen. 'Er zijn kinderen die op een speelplek niet tot ontspannen spel komen, omdat de speelplek gewoon niet bij hen past', stelt Bracco Gartner. 'Door de plek in zones op te delen en verschillende plekken te maken, geef je meer kinderen de ruimte om op hun eigen manier te spelen.' Inclusie gaat daarmee verder dan fysieke toegankelijkheid. Natuurlijk kijkt BOERplay naar bereikbare paden, ondergronden en voldoende contrast voor kinderen die minder goed zien. Maar een inclusieve speelplek moet volgens De Bruin ook kinderen aanspreken die verschillen in gedrag, vaardigheden en behoefte aan prikkels. 'Het is niet vanzelfsprekend dat ieder kind zich welkom voelt op een speelplek.'
|
|
'Inclusie betekent dat je ergens kunt komen en dat er iets is wat bij jou past'
| |
|
Van bewegen tot zelfvertrouwen
Vervolgens begint voor De Bruin de ontwerppuzzel. Klimmen vraagt bijvoorbeeld kracht en coördinatie, terwijl balspellen weer andere motorische vaardigheden aanspreken. Daarnaast kijkt ze naar cognitieve, sociale en zintuiglijke ontwikkeling. 'Het is een hele gave puzzel die je als ontwerper in elkaar kunt zetten. Elk stukje moet passen bij de wensen van de klant én bij de kinderen die de plek gaan gebruiken.' Daar hoort ook risicovol spelen bij. Niet gevaarlijk spelen, benadrukt De Bruin, maar kinderen wel de kans geven iets te proberen wat spannend voelt. Een hoogte overwinnen, balanceren of ergens overheen klimmen kan bijdragen aan zelfvertrouwen.
 | | Toscadreef - beeld via BOERplay |
|
|
Het aantrekkelijkste toestel uit de catalogus is daarom niet automatisch de beste keuze. Bracco Gartner merkt dat scholen en gemeenten soms vallen voor een groot en spectaculair toestel. Dan kan haar advies juist zijn om iets anders te kiezen. 'Dan zeggen wij ook: die is misschien mooier, maar hij gaat je niet meer brengen qua spelwaarden.' Een toestel dat beter aansluit bij de ontwikkelingsfase en vaker wordt gebruikt, kan uiteindelijk meer waarde hebben. 'De klant krijgt dus niet altijd meteen voorgeschoteld wat hij vooraf had bedacht. Dat gesprek gaan we niet uit de weg.'
|
|
'Het mooiste toestel is niet automatisch het toestel waar een kind het meeste aan heeft'
| |
|
Van schoolplein naar hele wijk
Voor gemeenten werkt dezelfde gedachte op grotere schaal. Op een schoolplein moeten verschillende speelvormen relatief dicht bij elkaar worden aangeboden. In de openbare ruimte kan juist naar een hele wijk worden gekeken. 'Als op het ene plein al een schommel en glijbaan staan, kunnen we vijfhonderd meter verderop andere bewegingsvormen aanbieden', aldus Bracco Gartner. Niet ieder klein speelplekje hoeft daarmee hetzelfde pakket toestellen te krijgen. Verschillen tussen plekken kunnen kinderen juist uitnodigen om verder door de wijk te bewegen en verschillende speelplekken te gebruiken. Voor De Bruin vat één gedachte de aanpak goed samen: 'Buitenspelen moet niet worden gezien als een onderbreking van leren, maar als een belangrijk onderdeel van leren en ontwikkelen.' Dat vraagt van ontwerpers en beheerders om verder te kijken dan het toestel. Wie begint bij het kind, krijgt uiteindelijk een speelomgeving waarin meer kinderen een plek kunnen vinden.
 | | Tanja Bracco Gartner |
|
|
 | | Annoek de Bruin |
|
|
| LOGIN
met je e-mailadres om te reageren.
|
|
|
| Er zijn nog geen reacties. |
|