Jane Jacobs zou zich achter de oren krabben bij de stad van 2026 |
|
|
|
|
 |
| 221 sec |
De stad wordt steeds voller en strakker gepland. Maar waar blijven de kleine ondernemers, spontane ontmoetingen en plekken die niet van tevoren zijn bedacht?
Op uitnodiging van de Jane Jacobs Society bezocht vakblad Stad+Groen op 30 september de bijeenkomst 'De economische bril van Jane' in Amsterdam. Centraal stond het gedachtegoed van de Amerikaanse stadsdenker Jane Jacobs (1916-2006), die bekend werd met haar pleidooi voor levendige, kleinschalige en gemengde steden. Interessant voor lezers van dit vakblad: wat betekenen de denkbeelden van Jacobs voor de inrichting van de (groene) stad?
| Economisch geograaf Professor Gert-Jan Hospers |
Economisch geograaf Gert-Jan Hospers, die Jacobs in 2004 persoonlijk ontmoette, ging met drie praktijkdeskundigen op zoek naar de betekenis van haar ideeën voor de stad van nu. Want hoe houd je een stad levendig als woningbouw, vastgoedprijzen en grootschalige plannen steeds meer bepalen wat er mogelijk is? Jane Jacobs kreeg wereldwijde bekendheid met haar boek The Death and Life of Great American Cities uit 1961. Daarin verzette ze zich tegen de grootschalige stadsvernieuwing van haar tijd. Complete wijken werden gesloopt om plaats te maken voor brede wegen en hoge gebouwen. Volgens Jacobs maakten stedenbouwkundigen daarmee een fundamentele fout: ze keken vooral naar gebouwen en plattegronden, en te weinig naar het leven dat zich daartussen afspeelde.
Levend geheel
Jacobs zag de stad als een levend geheel. Een goede straat bestaat niet alleen uit woningen, winkels of kantoren, maar juist uit een combinatie. De bakker, de fietsenmaker, de bewoner die zijn hond uitlaat en de ondernemer die 's avonds nog aan het werk is: samen zorgen ze voor activiteit, ontmoeting en sociale controle. Jacobs werd daarom ook wel de Diva of Diversity genoemd. Diversiteit was voor Jacobs een voorwaarde voor een goed functionerende stad.
De economie begint op straat
Tijdens de bijeenkomst liet Gert-Jan Hospers zien dat Jacobs meer was dan een invloedrijke stedenbouwkundige denker. Zelf beschouwde ze haar economische theorie als haar belangrijkste bijdrage. Volgens Jacobs ontstaat economische vernieuwing vooral waar verschillende mensen, bedrijven en activiteiten elkaar ontmoeten. Hospers illustreerde dat met een eenvoudig voorbeeld. Zet een meubelmaker, een advocaat, een bakker en een creatieve ondernemer bij elkaar en er zullen onverwachte verbindingen ontstaan. Bedrijven die allemaal hetzelfde doen, leren minder van elkaar dan bedrijven die verschillende achtergronden hebben. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop steden worden ingericht. Een bedrijventerrein waar iedereen om vijf uur vertrekt, functioneert anders dan een stadswijk waar wonen, werken en ontmoeten door elkaar lopen. De vraag is dan ook of we bij gebiedsontwikkeling niet te veel denken in afzonderlijke functies.
Kleine ingrepen, groot verschil
Opvallend was dat Hospers niet pleitte voor nóg grotere plannen om de stad te verbeteren. Integendeel. Volgens hem begint stedelijke kwaliteit vaak bij kleine dingen: een bankje, een bloemenperk of een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. 'Het hoeft niet altijd om toparchitectuur te gaan', was de strekking van zijn betoog. Mensen moeten zich ergens thuis voelen. En dat gevoel ontstaat niet automatisch door een fraai ontworpen gebouw of een kostbare herinrichting. Juist voor groenprofessionals is dat een interessante gedachte. Een paar bomen, een groene verblijfsplek of een creatieve tijdelijke inrichting kunnen al verschil maken in hoe een straat of plein wordt gebruikt. Hospers wees erop dat zulke kleine ingrepen ook kunnen worden ingezet terwijl een gebied wacht op een grotere herontwikkeling. Organiseer een activiteit, maak een tijdelijke ontmoetingsplek en kijk hoe mensen daarop reageren. Daarmee verschuift de aandacht van het eindbeeld naar het dagelijks gebruik. Niet alleen de vraag hoe een plein eruit moet zien, maar vooral wat mensen er willen doen, wordt bepalend.
|
|
Niet hoe een plein eruit moet zien, maar vooral wat mensen er willen doen, wordt bepalend.
| |
|
Ga toch wandelen
Een tweede les van Hospers was minstens zo praktisch: neem lokale kennis serieus. Bewoners en ondernemers weten vaak precies hoe hun straat functioneert, waar problemen ontstaan en welke plekken belangrijk zijn. Toch komt die kennis volgens Hospers niet altijd voldoende terecht in gemeentelijke plannen. Zijn advies was eenvoudig: ga wandelen. Niet alleen met bewoners, maar ook met wethouders, ontwerpers en projectontwikkelaars. Tijdens een wandeling ontstaan volgens Hospers andere gesprekken dan aan een vergadertafel. De omgeving helpt daarbij. Een boom, een gevel, een druk kruispunt of een verlaten plein kan aanleiding zijn om iets te bespreken wat in een beleidsdocument gemakkelijk onzichtbaar blijft. Voor gemeenten die werken aan vergroening, klimaatadaptatie of herinrichting van de openbare ruimte is dat een bruikbare benadering. Een ontwerp kan technisch goed in elkaar zitten, maar daarmee is nog niet gezegd dat het aansluit bij de dagelijkse praktijk van een buurt.
 | | Tineke Brinkhorst, adviseur op het gebied van winkelstraten en centrumgebieden |
|
|
Meer groen door bewoners
Dat bewoners daadwerkelijk invloed kunnen hebben op de inrichting van een stad, bleek uit een voorbeeld dat tijdens het panelgesprek werd genoemd. Tineke Brinkhorst, adviseur op het gebied van winkelstraten en centrumgebieden, verwees naar de herinrichting van het marktplein in Hengelo. Volgens Brinkhorst hadden bewoners nadrukkelijk aangedrongen op meer groen. Hun inbreng leidde ertoe dat de plannen werden aangepast. Het plein kreeg uiteindelijk een groenere inrichting. Daarbij gaat het niet uitsluitend om groen. Brinkhorst benadrukte dat een centrumgebied ook ruimte moet bieden om te verblijven. Een marktplein is meer dan een plek waar op bepaalde dagen kramen staan. Het is ook een openbare ruimte die op andere momenten aantrekkelijk en bruikbaar moet zijn.
 | | Jurriaan van den Eijkhof, Stadmaker & Urbanist bij bedrijvennetwerk ORAM |
|
|
De kleine ondernemer dreigt te verdwijnen
Toch is de menselijke maat niet vanzelfsprekend. Tijdens het panelgesprek kwam regelmatig de spanning tussen woningbouw en economische diversiteit naar voren. Jurriaan van den Eijkhof, die zich bij bedrijvennetwerk ORAM bezighoudt met ruimte voor werk in de stad, wees erop dat bij gebiedsontwikkeling veel aandacht uitgaat naar het aantal nieuwe woningen en arbeidsplaatsen. Maar daarmee is nog niet duidelijk welk soort werk daadwerkelijk een plek krijgt. Een kantoor of winkel is relatief eenvoudig in een nieuwbouwplan op te nemen. Voor bedrijven die ruimte nodig hebben voor productie, opslag of transport ligt dat ingewikkelder. Ook geur en geluid kunnen een probleem worden wanneer woningen dichterbij komen.
Broedplaats
Ook Angelo Bromet, oprichter van broedplaats Prospect11 in Amsterdam-Zuidoost, wees op het belang van ruimte voor beginnende ondernemers. Tegelijk plaatste hij een kanttekening. Niet iedereen met een ondernemend idee is ook echt een ondernemers en heeft vierkante meters bedrijfsruimte nodig. Volgens Bromet moeten gemeenten en ontwikkelaars beter kijken naar de werkelijke behoefte, voordat ze nieuwe vierkante meters bouwen.
De stad van 2050 begint vandaag
Aan het einde van de bijeenkomst kwam de vraag op tafel hoe de stad er in 2050 uit zou moeten zien. Hospers vertelde over een Japanse methode waarbij deelnemers aan een gesprek bewust vanuit het perspectief van toekomstige generaties nadenken. Niet alleen wat vandaag nodig is, maar ook wat mensen over tientallen jaren van onze keuzes zullen vinden. Jane Jacobs leverde daarvoor geen kant-en-klaar ontwerp. Haar gedachtegoed draait juist om het erkennen van de ingewikkelde, soms rommelige werkelijkheid van de stad. Niet alles hoeft vooraf te worden vastgelegd. Een stad heeft ook ruimte nodig om zich geleidelijk te ontwikkelen.
| LOGIN
met je e-mailadres om te reageren.
|
|
|
| Er zijn nog geen reacties. |
|