Mahonia aquifolium en verwanten: de Noord-Amerikanen |
|
|
|
|
| Ronald Houtman,
donderdag 26 maart 2026 |
 |
| 479 sec |
Deze soorten, hybriden en cultivars worden vooral toegepast als bodembedekker en vakbeplanter
Het geslacht Mahonia is in twee duidelijke delen gespitst, beide met een specifieke gebruikswaarde. Eén deel van het geslacht wordt gevormd door de Aziatische Mahonia, de hoger groeiende soorten, hybriden en cultivars, met grote geveerde bladeren en bloemen in lange trossen die in het najaar bloeien. Het andere deel van het geslacht wordt gevormd door (relatief) lage, spreidend groeiende voorjaarsbloeiers, van nature afkomstig uit Noord- en Centraal-Amerika. Deze soorten, hybriden en cultivars worden vooral toegepast als bodembedekker en vakbeplanter.
| Mahonia Bokrafoot (BLACKFOOT) |
Alle Mahonia zijn wintergroene heesters met ongedoornde twijgen en samengestelde bladeren. Op enkele uitzonderingen na hebben de deelblaadjes een grof scherp gezaagde tot scherp gestekelde bladrand. De bloemen verschijnen aan het eind van de twijgen en vanuit de bladoksels van de bovenste bladeren. De bloemen zijn (diep)geel tot lichtoranje, zelden crèmekleurig. Ze worden gevolgd door mooie, grijsblauw berijpte besvormige vruchten.
Het geslacht Mahonia wordt dus in twee delen gesplitst, zowel op basis van herkomstgebied als uiterlijk. In dit artikel wordt aandacht besteed aan de soorten, hybriden en cultivars van Noord- en Centraal-Amerikaanse origine. Ze worden van nature minder hoog dan de Aziatische Mahonia. Ze groeien vaak breed spreidend-opgaand, soms met worteluitlopers. De planten bloeien in het voorjaar, ongeveer gelijktijdig met het uitlopen van de jonge scheuten.
Noord- en Midden-Amerika
De Amerikaanse soorten zijn minder spectaculair dan de Aziatische. De planten groeien struikachtig en de meeste soorten worden gewoonlijk niet hoger dan 1-1,5 (2) m. De hybriden en cultivars blijven vaak lager. De planten vormen soms (korte) wortelstokken en groeien spreidend-opgaand. De geveerde bladeren zijn beduidend kleiner en bestaan uit veel minder deelblaadjes dan bij de Aziatische soorten. De planten komen voor van British Columbia in Canada tot in het zuiden van Mexico. Uiteraard zijn de Mexicaanse soorten bij ons niet winterhard, wat ook geldt voor verschillende soorten uit het zuidwesten van de Verenigde Staten. Hoewel deze groep uit nog geen 20 natuurlijke soorten bestaat, gaat het in de praktijk slechts om drie soorten en een aantal hybriden. De andere soorten zijn liefhebbersplanten, die beperkt winterhard zijn. Die worden overigens ook zelden gekweekt.
|
|
De Amerikaanse soorten zijn minder spectaculair dan de Aziatische
| |
|
Mahonia of Berberis?
In Europa worden Mahonia en Berberis als twee aparte geslachten beschouwd. Maar veel taxonomen, met name in de Verenigde Staten, vinden dat de soorten uit beide geslachten zo nauw met elkaar verwant zijn, dat ze allemaal in één geslacht horen. Omdat de oudste geslachtsnaam de geldige is, worden alle soorten dan Berberis genoemd. In de planten die in Nederland respectievelijk Berberis en Mahonia worden genoemd, zijn de verschillen groot en duidelijk te zien. Maar een aantal soorten heeft kenmerken in uiterlijk en in DNA die tussen Berberis en Mahonia in liggen. De - hopelijk voorlopige - conclusie is dus dat er drie groepen te onderscheiden zijn in het 'grote' geslacht Berberis: de soorten die we van oudsher kennen als Berberis, de soorten die we van oudsher kennen als Mahonia en een zestal soorten die er precies tussenin liggen. Doordat deze zes soorten bij ons onbekend, onvoldoende winterhard en niet in cultuur zijn, zorgt deze discussie in Noordwest-Europa voor wat onbegrip, en voor onduidelijkheid. Zo beschouwen de Naamlijst van Houtige Gewassen (Naktuinbouw) en het CPVO (de EU-raad voor kwekersrecht) Berberis en Mahonia als twee aparte geslachten. Maar in verschillende belangrijke taxonomische databases en in veel Amerikaanse literatuur worden alle Mahonia Berberis genoemd. Als we daar over Mahonia aquifolium willen lezen, moeten we in de index naar Berberis aquifolium zoeken.
Mahonia aquifolium
Veruit de bekendste soort in het geslacht is Mahonia aquifolium. Deze soort komt van nature voor in westelijk Noord-Amerika, van British Columbia in Canada tot in het noorden van Californië in de Verenigde Staten. Tijdens hun 'ontdekkingsreis' door Noord-Amerika werd deze soort voor het eerst verzameld door Lewis en Clark. Nadat Meriwether Lewis de plant op 12 februari 1806 beschreef, stuurde hij materiaal naar de oostkust. Dit werd vervolgens door de Schotse planthunter David Douglas naar de RHS in Londen gestuurd.
Mahonia aquifolium is een breed opgaand groeiende, wintergroene heester. Van nature wordt de plant ruim een meter hoog, maar verschillende cultivars kunnen beduidend hoger worden. De plant vormt nauwelijks wortelstokken; als deze worden gevormd, zijn ze zeer kort. De oneven geveerde bladeren zijn 10-20 cm lang en bestaan uit vijf tot elf deelblaadjes. Deze zijn glanzend donkergroen met scherpe tanden langs de bladrand. De bloemen openen in april, soms al eind maart. Ze staan in dichte pluimen en zijn licht- tot donkergeel. Soms zijn de bloemknoppen iets oranjerood getint. De soort M. aquifolium wordt toegepast als bos- en haagplantsoen; dan is het gebruikelijk en aan te bevelen de planten door zaaien te vermeerderen. Deze planten zijn beduidend goedkoper dan vegetatief vermeerderde planten en ook is de natuurlijke variatie bij zaailingen groter. Als een eenduidiger beeld is gewenst, met name in de stedelijke omgeving, kan er beter voor cultivars worden gekozen.
 | | Mahonia aquifolium 'Golden Pride' |
|
|
Cultivars van Mahonia aquifolium
De bekendste cultivar is ongetwijfeld 'Apollo'. Met een hoogte van 50-80 cm blijft 'Apollo' beduidend lager en compacter dan de soort. Het blad is glanzend donkergroen en kleurt 's winters purper tot purperbruin. De bloemen zijn diep goudgeel. Als typische M. aquifolium vormt 'Apollo' geen wortelstokken, waardoor de plant niet uitstoelt. Er moeten dus wat meer per vierkante meter worden geplant om een vak snel goed dicht te laten groeien. De plant bloeit omstreeks half/eind april. Tijdens de bloeitijd vallen vaak ook de oudere bladeren af en worden de jonge scheuten gevormd. Hierdoor kan een net uitgebloeide 'Apollo' een wat kale indruk maken. Deze compacte cultivar werd in 1973 bij Brouwers Boomkwekerijen in Groenekan gevonden.
Ook 'Smaragd' en 'Undulata' zijn bekende cultivars. Het zijn allebei fors groeiende cultivars die hoger dan 1,5 m kunnen worden. 'Smaragd' heeft prachtig glanzend donkergroen blad, dat 's winters nauwelijks dof wordt. De goudgele bloemen steken goed af tegen het blad. Helaas is deze mooie cultivar behoorlijk gevoelig voor meeldauw. Als alternatief kan beter voor 'Undulata' worden gekozen. Het meest in het oog springende kenmerk van deze plant wordt gevormd door de sierlijke, sterk gegolfde bladranden. Ook van 'Undulata' is het blad glanzend donkergroen en het verkleurt 's winters nauwelijks. Hoewel ook 'Undulata' iets gevoelig is voor meeldauw, is de plant sterker en vooral beter winterhard dan 'Smaragd', hoewel deze laatste eigenschap nauwelijks meer van belang is. Ook 'Marijke' kan uiteindelijk circa 1,5 m hoog worden. In het voorjaar loopt het blad bronsgroen uit, 's zomers is het glanzend donkergroen en 's winters kleurt het diep mahoniekleurig. De heldergele bloemen openen in april.
|
|
De bekendste cultivar is ongetwijfeld 'Apollo'
| |
|
 | | Mahonia aquifolium 'Apollo' |
|
|
'Atropurpurea' stamt uit 1915 en is één van de oudste nog in cultuur zijnde cultivars. De plant groeit relatief breed en dicht vertakt tot circa 80 cm hoogte. Het glanzend donkergroene blad is fijn getand en voelt niet erg scherp aan. De cultivarnaam is een verwijzing naar de bladkleur in de winter; dan is het aantrekkelijk diep bronskleurig purpergroen. De bloemen zijn iets lichter geel dan bij andere cultivars en openen eind maart-half april.
'Golden Pride' zit qua eigenschappen ongeveer tussen 'Apollo' en 'Atropurpurea' in. De groeiwijze is wat minder bossig dan bij 'Atropurpurea', maar bossiger dan bij 'Apollo'. Het blad verkleurt minder intens in de winter. De bloei is daarentegen beter en fraaier dan bij 'Atropurpurea', maar minder dan bij 'Apollo'. Deze eigenschappen maken 'Golden Pride' tot een goed bruikbaar alternatief. De destijds door Darthuizer Boomkwekerijen geïntroduceerde 'Darthil' (HILLARY) is een dichtvertakte struik die iets uitstoelt, dit in tegenstelling tot de typische M. aquifolium. De deelblaadjes van de glanzend donkergroene bladeren zijn relatief smal en staan vaak iets bol. In het voorjaar is het jonge blad mooi bronskleurig. De bloei is rijk en mooi goudgeel. Met een hoogte van circa 60 cm is 'Darthil' (HILLARY) een uitstekende plant voor toepassing in vakbeplantingen.
Een buitenbeentje is 'Green Ripple'. Bij deze cultivar zijn de deelblaadjes sterk naar beneden gebogen. Daarbij is het topblaadjes steeds opvallend groter dan de andere deelblaadjes. Het geeft de plant een zeer opvallend uiterlijk. 's Winters wordt dit versterkt doordat de bladeren diep roodpurper kleuren. Het is een smal opgaand groeiende plant die uiteindelijk ruim een meter hoog wordt. Hij is minder geschikt voor vakbeplanting, maar wellicht aardig als solitair of in kleine groepen.
Mahonia nervosa
Tijdens dezelfde reis door Noord-Amerika waarbij Lewis en Clark M. aquifolium vonden, werd ook materiaal van M. nervosa verzameld. Deze soort komt voor in het westen van de Verenigde Staten en heeft min of meer hetzelfde verspreidingsgebied als M. aquifolium. Het is een laag groeiende soort die slechts 40 cm hoog wordt en worteluitlopers vormt. Het blad is iets glanzend, donkergroen en verkleurt 's winters fraai purperrood. De bloemen zijn geel en staan in tot 20 cm lange trossen. Hoe mooi M. nervosa ook is, het is helaas een vrij zwakke plant die het meestal maar enkele jaren uithoudt.
 | | Mahonia nervosa |
|
|
Mahonia repens
Met een verspreidingsgebied in het midden en westen van Canada en de Verenigde Staten is M. repens de meest algemeen voorkomende soort in Noord-Amerika. Het is een behoorlijk variabele soort, die in de natuur onder verschillende klimatologische omstandigheden kan gedijen. De planthoogte varieert tussen 20 en 50 cm. De bladeren bestaan uit minder deelblaadjes dan bij M. aquifolium, gewoonlijk slechts vijf. Deze zijn eivormig tot bijna rond en dof tot glanzend donkergroen gekleurd. De licht groengele tot lichtgele bloemen staan dicht opeen in vrij korte, opstaande trossen. Ze zijn minder aantrekkelijk in grootte en kleur dan de bloemen van M. aquifolium. Dezelfde variabiliteit zien we ook in de gezondheid en in het aantal grondscheuten van de planten. Als soort is M. repens niet erg interessant, wat wel geldt voor de hybriden met M. aquifolium, die sinds ongeveer 20 jaar op de markt zijn. De oudste hybride is M. 'Pixie'. Hoewel deze gezond, iets glanzend donkergroen blad heeft en niet hoger wordt dan 50 cm, zijn de bloemen klein en bleek groengeel. Als bodembedekker is 'Pixie' een goede plant, maar de sierwaarde is laag.
 | | Mahonia repens |
|
|
De hybriden M. 'Bokrafoot' (BLACKFOOT) en 'Bokrasio'(SIOUX) zijn van een latere generatie en duidelijke verbeteringen van 'Pixie'. Beide cultivars bloeien rijk en mooi. 'Bokrafoot' (BLACKFOOT) is met een hoogte van circa 70 cm de hoogste van de twee. De bladeren zijn glanzend donkergroen en staan iets bol. In april openen de bloemen in relatief grote trossen. Ze zijn diep goudgeel en geuren licht. Het mooie blad vormt een prima achtergrond voor de diepgele bloemkleur. 'Bokrasio'(SIOUX) blijft met een hoogte van circa 50 cm lager. De bladeren zijn minder glanzend dan bij 'Bokrafoot' (BLACKFOOT) en kleuren 's winters purperrood. De bloemen zijn goudgeel en staan in trossen, die min of meer hetzelfde formaat hebben als bij M. 'Apollo'. Van de hybriden lijkt 'Bokrasio'(SIOUX) het meest op 'Apollo', maar hij bloeit circa tien dagen eerder. Dit heeft tot gevolg dat de oudere bladeren nog in de plant zitten als deze bloeit en dat de planten een veel minder kale indruk maken als de jonge scheuten worden gevormd na de bloei.
De meest compacte hybride is M. 'Bokrarond' (ROTONDE). Qua uiterlijk houdt deze het midden tussen 'Bokrafoot' (BLACKFOOT) en 'Bokrasio'(SIOUX), maar de plant blijft nog lager. Door de compacte groei en korte worteluitlopers is de plant prima geschikt voor kleinschalige toepassingen, bijvoorbeeld tussen opsluitbanden. Alle hier genoemde hybriden tussen M. aquifolium en M. repens vormen worteluitlopers. 'Bokrasio'(SIOUX) vormt de meeste worteluitlopers, wat de plant tot een uitstekende bodembedekker maakt.
|
|
Deze planten moeten het niet zozeer hebben van de bloei, maar van hun fraaie bladkleur
| |
|
M. ×wagneri
Ruim 100 jaar geleden werd voor het eerst een hybride tussen M. pinnata en M. aquifolium beschreven. M. pinnata komt voor in het zuiden van Californië en is niet in cultuur. Cultivars van M. ×wagneri waren in het verleden vrij populair. De planten lijken vrij sterk op M. aquifolium, maar ze hebben doffe bladeren en groeien vaak iets losser. De bloemtrossen zijn gewoonlijk wat meer gedrongen. Al deze eigenschappen spreken niet ten gunste van M. ×wagneri, maar 100 jaar geleden waren er, ook binnen M. aquifolium, maar weinig bruikbare alternatieven. Een belangrijker nadeel van M. ×wagneri is dat de planten, op een enkele uitzondering na, behoorlijk meeldauwgevoelig zijn.
De bekendste cultivar is 'Pinnacle'. Werd deze plant voorheen op behoorlijk grote schaal gekweekt, tegenwoordig wordt hij ruim voorbijgestreefd door de moderne cultivars van M. aquifolium en de hybriden tussen M. aquifolium en M. repens. Hetzelfde geldt voor 'Fireflame'. Deze verschilt van 'Pinnacle' door het blauwgroene blad met rode bladspillen. Ook het bronskleurige uitlopen en de winterkleur van het blad zijn opvallend.
Twee cultivars verdienen nog wel aandacht: 'Moseri' en de daaruit ontstane 'Sunset'. Deze planten moeten het niet zozeer hebben van de bloei, maar van hun fraaie bladkleur. Het blad van 'Moseri' loopt lichtoranje uit, kleurt vervolgens geel en wordt later in het seizoen geelgroen. 'Sunset' doet daar nog een schepje bovenop door diep oranje uit te lopen. 'Sunset' is sterker dan 'Moseri' en minder gevoelig voor meeldauw.
 | | Mahonia ×wagneri 'Pinnacle' |
|
|
Standplaats en onderhoud
Over het algemeen zijn de hier genoemde Mahonia gemakkelijke planten. Ze zijn vrijwel bodemvaag en gedijen op iedere goed doorlatende grond, zowel in de volle zon als in de schaduw. De planten verdragen vrij veel droogte en kunnen ook korte tijd in een natte bodem groeien. Omdat de vertakking van nature wat spaarzaam is, hebben veel cultivars de neiging om op latere leeftijd wat 'stokkerig' te worden. De beste methode om dit te voorkomen, is door de planten het eerste jaar na aanplant licht te snoeien en dit na enkele jaren te herhalen. Zo worden de planten gedwongen zich steeds te verjongen, wat de plantvorm ten goede komt.
De hier genoemde planten zijn bij uitstek geschikt als vakbeplanter. Sommige, zoals M. 'Bokrarond' (ROTONDE) en M. ×wagneri 'Moseri' en 'Sunset', kunnen beter in kleinere plantvakken worden toegepast. De andere cultivars zijn geschikter voor toepassing in grote(re) plantvakken. Het zijn dus niet alleen goede vakbeplanters, maar ook uitstekende bodembedekkers. De hoger groeiende M. aquifolium 'Smaragd', 'Undulata' en 'Marijke' kunnen ook worden toegepast als hogere randbeplanting bij parkeerplaatsen en dergelijke.
Biodiversiteit
Met een nectarwaarde van N5 en een pollenwaarde van P5 is de waarde van Mahonia aquifolium voor bestuivende insecten bijzonder hoog. Ook de rijke bloei vroeg in het voorjaar is van belang voor insecten. Deze dieren beschikken al rond eind maart over een belangrijke voedselbron voor hun larven, zodat ze doorvoed de zomer in gaan. Mahonia is één van de soorten die de stelling onderuithalen dat alleen inheemse soorten goed voor de biodiversiteit zouden zijn. De stekelige bladeren van de bodembedekkende planten bieden ook beschutting voor kleine vogels en zoogdieren. Er zijn dus voldoende redenen om de Noord-Amerikaanse Mahonia-soorten en hun hybriden en cultivars toe te passen.
| Naktuinbouw Hoofdvestigin... | |
| |
| LOGIN
met je e-mailadres om te reageren.
|
|
|
|
 |
|
Stephan Stephan | Eigenaar
donderdag 26 maart 2026 |
|
Jammer dat er met geen woord gerept wordt over de invasieve eigenschappen. Eigenlijk zou men uiterst terughoudend moeten zijn met het toepassen. Zeker de gemeenten moeten hier extra aandacht aan schenken |
|
|
|